Een nieuw redmiddel om een faillissement af te wenden?

Een nieuw redmiddel om een faillissement af te wenden?

Het buitengerechtelijk akkoord binnenkort afdwingbaar?

Ter voorkoming van een faillissement wordt vaak een kwijtingsvoorstel aan de schuldeisers gedaan; een zogenaamd buitengerechtelijk akkoord. In tegenstelling tot het aanbieden van een akkoord in een faillissement, surseance van betaling of WSNP, is over een buitengerechtelijk akkoord niets in de wet geregeld. In beginsel is een schuldeiser niet verplicht mee te werken aan een dergelijk akkoord. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een weigerachtige schuldeiser in rechte worden gedwongen om het akkoord te aanvaarden. De vraag die de rechter in dat geval dient te beantwoorden is of de betreffende schuldeiser in redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren en daardoor misbruik van zijn bevoegdheid maakt.

In veel gevallen zie je een buitengerechtelijke akkoord falen. Omdat de praktijk behoefte heeft om ook buiten een faillissement een zogenaamd dwangakkoord aan te kunnen bieden, is er een nieuw wetsvoorstel aanhangig: de Wet Continuïteiten Ondernemingen II (“WCO II”). Het doel van dit wetsvoorstel is (onder meer) om onnodige faillissementen zoveel mogelijk te voorkomen door ondernemers met dreigende betalingsproblemen te stimuleren die betalingsproblemen te herkennen en reorganisatie en herstructurering buiten faillissement mogelijk te maken.

Hoe komt de nieuwe procedure er dan uit te zien? Een schuldenaar kan zijn schuldeisers (en aandeelhouders) een akkoord aanbieden. Het wetsvoorstel bepaalt daarbij dat de schuldeisers in verschillende klassen kunnen worden ingedeeld. Daarmee wordt het mogelijk om een akkoord aan een bepaalde groep schuldeisers aan te bieden, zoals bijvoorbeeld schuldeisers met een pandrecht. Het akkoord wordt aangenomen als alle klassen hebben ingestemd. Een klasse heeft ingestemd met het akkoord als (1) een gewone meerderheid van de deelnemende stemgerechtigden in een klasse hebben voorgestemd en (2) die meerderheid ten minste twee-derde vertegenwoordigt van het bedrag aan vorderingen in die klasse.

Mocht het akkoord zijn aangenomen en een schuldeiser zich niet aan het akkoord wil houden, kan aan de rechtbank een algemeen verbindendverklaring worden verzocht. Bij dit verzoek dient de rechter te beoordelen of belangen van schuldeisers niet worden geschaad, het akkoord voldoende is gewaarborgd en of het akkoord niet door oneerlijke middelen (zoals bevoordeling van een specifieke schuldeisers) tot stand wordt gebracht. Ook toetst de rechter of er andere zwaarwegende redenen zich tegen het akkoord verzetten.

Ook in de situatie dat het akkoord niet is aangenomen omdat niet alle klassen hebben voorgestemd, kan de rechtbank om een algemeen verbindendverklaring worden verzocht. De rechter kan de verklaring dan alsnog verlenen indien de tegenstemmers “in redelijkheid niet tot dat stemgedrag hebben kunnen komen”. De wet noemt een aantal situaties waarin de verklaring afgewezen moet worden. Relevant daarbij is de vraag of schuldeisers met een faillissement vermoedelijk beter af zullen zijn dan zonder het akkoord.

Kort en goed zal de praktijk uit moeten wijzen of met de introductie van het wettelijk “dwangakkoord” het aantal faillissementen af zal nemen. Het wetsvoorstel is in afwachting van het advies van de Raad van State. Wanneer het advies te verwachten valt, is nog onbekend.

Heb je nog vragen? Neem dan contact  op!