Verjaring geldvordering in faillissement

Verjaring geldvordering in faillissement

De wet kent verschillende verjaringstermijnen. Voor geldvorderingen tot nakoming uit een overeenkomst geldt dat deze verjaart door verloop van 5 jaar na aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden[1]. Stuur je bijvoorbeeld een factuur met een betalingstermijn van 14 dagen, dan gaat op de 15e dag de verjaringstermijn van 5 jaar lopen.

Om die verjaring van de vordering te voorkomen is het zaak om de verjaring tijdig te stuiten. Stuiting van de verjaring heeft tot gevolg dat er een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen. Er zijn meerdere manieren om verjaring te stuiten. De meest voorkomende stuitingshandeling is het sturen van een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin je ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoud. Let op: dit moet schriftelijk gebeuren. Verjaring kan ook worden gestuit door een erkenning van de schuldenaar of door het instellen van een gerechtelijke procedure.

Maar hoe zit dat als je schuldenaar failliet gaat? Door de faillietverklaring wordt de verjaring niet gestuit. In sommige gevallen kan een faillissement de verjaringstermijn wel doen verlengen. Dit is het geval als de verjaringstermijn tijdens het faillissement of binnen 6 maanden na het einde van het faillissement afloopt. Dan loopt de verjaringstermijn door tot 6 maanden na het einde van het faillissement. Let er dus goed op dat tijdens het faillissement de verjaringstermijn doorloopt en niet automatisch wordt gestuit.

Dat is alleen anders als er een uitdeling aan de schuldeisers gedaan kan worden en er een verificatievergadering wordt gehouden. Dan worden de erkende vorderingen opgenomen in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris. In dat geval geldt een andere verjaringstermijn. Het proces-verbaal levert –net als een vonnis- een executoriale titel op. Om de vordering na het faillissement alsnog te incasseren, hoef je dus geen gerechtelijke procedure meer te voeren. De Hoge raad[2] heeft vorig jaar bepaald dat de verjaringstermijn van de bij het proces-verbaal vastgestelde vordering gelijk is aan de verjaringstermijn van een vonnis, namelijk 20 jaar. Deze verjaringstermijn vangt aan op de dag volgende op die waarop het proces-verbaal door de rechter-commissaris is ondertekend. Dit is dus anders dan de verjaring op grond van gemaakte afspraken, vastgelegd in een van een proces-verbaal  bij de rechtbank, waarover wij eerder schreven.

Wil je meer weten over de verjaring van een geldvordering? Neem dan contact met ons op.

 

[1] Artikel 3:307 BW.
[2] HR 29 april 2016, NJ 2016/278.