Wacht niet af bij beëindiging van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij

Wacht niet af bij beëindiging van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij

Over de verzetprocedure tegen intrekking 403-verklaring

In beginsel is iedere rechtspersoon verplicht om een jaarrekening op te stellen. De wet[1] biedt een mogelijke vrijstelling voor rechtspersonen die deel uitmaken van een concern. Als de moedermaatschappij de (financiële) gegevens van deze rechtspersoon in haar geconsolideerde jaarrekening opneemt, wordt de dochtervennootschap vrijgesteld van de verplichting om een jaarrekening op te stellen. Hiervoor is wel vereist dat de moedermaatschappij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden van de vrijgestelde dochtermaatschappij. Dit is een zogenaamde 403-verklaring. Een derde die een overeenkomst sluit met de dochtermaatschappij, doet dit vaak mede op basis van het vertrouwen op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en het voortduren daarvan. Maar wat nu als deze aansprakelijkheid beëindigd wordt?

De moedermaatschappij heeft op grond van de wet[2] een mogelijkheid om de aansprakelijkheid te beëindigen. De eerste stap van de opheffing is het intrekken van de aansprakelijkheid. Dit gebeurt door deponering van een intrekkingsverklaring bij het handelsregister. Door deze inttrekkingsverklaring is de moedermaatschappij vanaf het moment van deponering niet langer aansprakelijk voor nieuwe schulden die ontstaan na de deponering. Dat geldt dus niet voor de eerder genoemde schuldeiser van de dochtermaatschappij.

De aansprakelijkheid voor deze ‘oude schulden’ kan enkel worden beëindigd als aan verschillende (in de wet genoemde) voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat er geen of niet tijdig verzet is ingesteld door een schuldeiser. Als schuldeiser van een ‘oude schuld’, kun je tot twee maanden na de aankondiging in verzet komen. Daarbij is het ook mogelijk om van de moedermaatschappij te verlangen waarborg te stellen voor jouw schulden. Lange tijd was het onzeker hoe werd geoordeeld op een ingesteld verzet.

Op 31 maart 2017 heeft de Hoge Raad[3] een arrest gewezen waarin wordt ingegaan op de te hanteren maatstaf bij beoordeling van een door een schuldeiser ingesteld verzet. De Hoge Raad heeft bepaald dat het vertrouwen uit de 403-verklaring ook bescherming verdient bij beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Een moedermaatschappij die deze aansprakelijkheid wil beëindigen, behoort dat niet te kunnen doen ten koste van de zekerheid van de schuldeiser voor de voldoening van zijn vordering waarvoor de aansprakelijkheid loopt. In de verzetprocedure wordt niet over de toewijsbaarheid van de vordering van de schuldeiser beslist. Daarom heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter verzet gegrond dient te verklaren tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht.

Houd als schuldeiser dus goed in de gaten wat er gebeurt met een afgegeven 403-verklaring. De procedure van verzet bereikt groot resultaat en zekerheid.

Heb je hierover nog vragen? Neem dan contact op!

 

[1] 2:403 BW.
[2] 2:404 BW.
[3] HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:546.